Zorgstandaarden bieden nieuw perspectief

Eind 2017 zijn er 17 zorgstandaarden en een reeks generieke modules klaar voor gebruik in de brede ggz. Wat verandert er hierdoor? En wat levert dat op? Psychiater prof. dr. Aart Schene – verbonden aan RadboudUMC – ziet vooral voordelen.

Aart Schene: “Het wordt een nieuwe fase van omgaan met kennis.”

Aart Schene herinnert zich nog precies welke kritische kanttekeningen hij aanvankelijk plaatste bij het ontwikkelen van nieuwe kwaliteitsstandaarden voor de ggz. Want wat blijft er over van evidence-based behandelen als je moet gaan werken met zorgstandaarden, waarin vanuit patiëntperspectief ruimte is voor niet goed onderzochte meningen, ervaringen, smaken en voorkeuren – en misschien zelfs voor zaken waarvan je als zorgprofessional zeker weet dat ze niet werken.

‘Stel je voor dat patiënten ervan overtuigd zijn geraakt dat een esoterische olie hen helpt; wat doe je dan’, zegt Schene terugkijkend. ‘Daarom heb ik er altijd voor gepleit om alleen zorgstandaarden te maken voor stoornissen waar al een richtlijn voor bestaat. Gelukkig is dat standpunt door het Netwerk Kwaliteitsontwikkeling GGz overgenomen. Anders loop je namelijk het risico dat zo’n zorgstandaard een mengsel wordt van goed, minder goed en niet onderzochte aanbevelingen, die deels zijn gebaseerd op voorkeuren, verlangens en wensen.’

Zorgstandaarden: ‘internationaal ongekend’

‘De grote vraag was: hoe verhouden de nieuw te ontwikkelen zorgstandaarden zich tot de bestaande richtlijnen voor psychiatrische stoornissen? Duidelijk was dat ze in elk geval multidisciplinair moesten zijn. Daarnaast ontstond het idee om naast de zorgstandaarden ook generieke modules te ontwikkelen voor algemene thema’s die bij de behandeling van elke stoornis van belang zijn, zoals werk, psychotherapie, medicatie, het omgaan met dwang en drang etc.

Zo is er de afgelopen jaren gewerkt aan een unieke en internationaal ongekende set standaarden. Met deze set wordt voor de meest voorkomende stoornissen beschreven wat goede zorg is – in eerste instantie vanuit het perspectief van patiënten en naasten -; hoe die zorg het beste kan worden georganiseerd; en welke behandelingen het meest kosteneffectief zijn. Dat is echt vernieuwend en gaat veel verder dan richtlijnen.’

Waardevolle aanvulling

Vanaf komend jaar kunnen de eerste zorgstandaarden en generieke modules worden geïmplementeerd. Daarmee breekt een nieuwe fase aan, waarbij van zorgverleners verwacht wordt dat zij samen met hun cliënten/patiënten de meeste geschikte behandeling gaan uitstippelen.

Schene: ‘We sluiten hiermee aan bij ontwikkelingen in de somatische geneeskunde. Daar hebben bijvoorbeeld de zorgstandaarden voor de behandeling van diabetes en hartfalen inmiddels hun nut bewezen. Ik verwacht dat dit ook opgaat voor de zorgstandaarden die nu voor de ggz beschikbaar komen, juist omdat ze in een taal en begrippenkader geschreven zijn die voor patiënten begrijpelijk zijn – en op veel meer zaken ingaan dan de richtlijn.’

Minder professionele autonomie?

Schene weet dat sommige zorgverleners ook nu weer vrezen voor inperking van hun professionele autonomie. ‘Bij het ontwikkelen van de richtlijnen speelde hetzelfde, zelfs in meerdere mate omdat die dwingender zijn. Inmiddels is duidelijk dat die richtlijnen geen wetboeken zijn, maar dringende wetenschappelijke aanbevelingen voor effectief (be)handelen waar je alleen gefundeerd van mag afwijken. En welbeschouwd ontstaat er nu met de introductie van zorgstandaarden weer extra ruimte voor alternatieven en opties die niet in de richtlijn voorkomen. Die vrees is dus onterecht.’

Barrières en belemmeringen

De nieuwe zorgstandaarden worden wel vergeleken met een routeplanner: een handig instrument dat niet bepaalt waar je naartoe moet, maar wel vertelt via welke routes je bij je doel kunt komen. ‘Dat is inderdaad een treffend ‘beeld’, vindt Aart Schene.

‘Zorgstandaarden kunnen je wegwijs maken. Toch ik verwacht dat het een zoektocht zal blijven. Want bij het zoeken naar de meeste passende zorg zullen patiënten en zorgverleners regelmatig op barrières stuiten door de manier waarop de ggz nu verzekeringstechnisch is georganiseerd en geordend. Hierdoor mag je bijvoorbeeld met een bepaald probleem (nog) niet worden verwezen naar de specialistische ggz. Door dit soort belemmeringen – bedoeld om de kosten te reduceren – is het wegennet beperkt. Dus ook al ga je samen op zoek naar de meest passende behandeloptie, het kan zijn dat die niet beschikbaar is.’

Verder vereenvoudigen

Er wordt van alles gedaan om de zorgstandaarden en modules zo toegankelijk en bruikbaar mogelijk te maken. Toch blijft het volgens Schene van belang dat ze de komende tijd ook op andere manieren worden ‘vertaald’, bijvoorbeeld met filmpjes en animaties.

‘Alleen dan zullen ze ‘landen’ bij de grote groep zorgvragers, inclusief de minder hoog opgeleide mensen die niet gewend zijn aan ons jargon en onze denkkaders. Ook voor patiëntenverenigingen ligt daar een taak, zodat uiteindelijk zoveel mogelijk patiënten actief kunnen meedenken en meebeslissen over hun behandeling op basis van beschikbare informatie.’

Samen besluiten

‘Uiteindelijk gaat het er om dat deze zorgstandaarden worden gebruikt in de spreekkamer’, benadrukt Schene. ‘Zorgverleners zullen hierbij samen met de patiënt en zijn naasten zo gelijkwaardig mogelijk een besluit moeten nemen over de meest passende behandeling. Het zal even wennen zijn om dat spel goed te spelen. Maar de grote winst hiervan is dat zij zich hierbij kunnen baseren op behandelopties waarvan de effectiviteit wetenschappelijk bewezen is. Dat is echt een grote stap voorwaarts in vergelijking met de ggz van pakweg 25 jaar geleden!’

Prof. dr. Aart Schene is als hoogleraar psychiatrie verbonden aan de Faculteit der Medische Wetenschappen van Radboud Universiteit Nijmegen en als afdelingshoofd psychiatrie aan het Radboudumc. De afgelopen jaren was hij betrokken bij de ontwikkeling van nieuwe kwaliteitsstandaarden voor de ggz. Van 2009 tot eind 2015 had hij als voorzitter van de Commissie Kwaliteitszorg van de NVvP direct te maken met onderwerpen als kwaliteit en richtlijnontwikkeling – en dacht hij mee over de opzet en de taken van het nieuwe Netwerk Kwaliteitsontwikkeling GGz. In het Netwerk is hij voorzitter van de Agendaraad.

 


Deel dit bericht via: