Standaarden voor goede zorg

INTERVIEW – We werken allemaal aan goede zorg, maar wat houdt dat precies in? Als antwoord op deze vraag hebben veldpartijen in de geestelijke gezondheidszorg zelf het initiatief genomen om kwaliteitsstandaarden te ontwikkelen via het Netwerk Kwaliteitsontwikkeling GGz. Namens het NIP zit dr. Arnold van Emmerik er in de Agendaraad. “Het vertrekpunt is om vast te leggen wat partijen in de ggz goede zorg vinden. Van daaruit kunnen we de zorgstandaarden verder ontwikkelen.”

Nog een klein jaar te gaan en dan zijn er 44 kwaliteitsstandaarden opgesteld voor en door de geestelijke gezondheidszorg. Het gaat om stoornisspecifieke zorgstandaarden en generieke modules waarin is vastgelegd hoe de inhoud van zorg er minimaal uit moet zien.

Veld is aan zet

Van Emmerik noemt de ontwikkeling van standaarden een kans voor de ggz: “De standaarden stellen we als veld met elkaar op, en daarmee hebben we de kans gekregen om zelf invulling te geven aan de vraag wat goede zorg is. Deze belangrijke kans moeten we grijpen; je wilt toch niet dat anderen dit voor ons zouden bepalen.” Alle relevante beroepsverenigingen, patiënten- en naastenverenigingen, aanbieders en zorgverzekeraars hebben zich verenigd in het Netwerk Kwaliteitsontwikkeling GGz, dat is opgezet door het NIP, de NVvP en het LPGGz. Patiënten en hun naasten, psychiaters, huisartsen, verpleegkundigen, psychologen en de daartoe behorende subdisciplines bepalen gezamenlijk de inhoud van de standaarden.

Houvast

“Met de standaarden beschrijven we hoe de zorg er minimaal uit moet zien. We maken inzichtelijk wat de patiënt in de praktijk van de professional mag verwachten. Daarmee voorkomen we bovendien dat er professionals zijn die voor zichzelf gaan bepalen waar de geboden zorg aan moet voldoen. Want dat gaat in sommige gevallen goed, maar in een aantal helaas niet. Zo zijn voor veel psychische problemen efficiënte voorkeursbehandelingen beschikbaar die in talrijke wetenschappelijke onderzoeken effectief zijn gebleken. Zoals cognitieve gedragstherapie voor angst, dwang of posttraumatische stress en IPT voor depressie. Ik vind dat patiënten met deze problemen in eerste instantie de voorkeursbehandelingen moeten krijgen. Waarom doen we anders al dat dure onderzoek?

We hebben de neiging om het normatieve karakter van de zorgstandaarden te benadrukken. Maar een belangrijk gegeven is dat je als professional in voorkomende gevallen er altijd gemotiveerd van af mag wijken. Standaarden vormen geen keurslijf. Behalve de vraag wat je moet doen of wat je niet mag doen, beantwoorden ze bovenal de vraag: wat kun je doen? Standaarden hebben inderdaad een normatief karakter, maar daarmee geven ze ook houvast en je kunt altijd op die inhoud terugvallen. Net als behandelprotocollen, zijn het vooral hulpmiddelen.”

Consensus

Om tot de standaarden te komen, moeten alle partijen eerst gezamenlijk overeenkomen wat goede zorg inhoudt. Natuurlijk levert dit soms ook de nodige discussie op. Van Emmerik bevestigt dit: “Over 80 of 90% van de inhoud zijn de verschillende partijen het meestal snel met elkaar eens, en is de ‘goede zorg’ dus makkelijk te formuleren. De tijd en energie gaat zitten in de resterende 10 of 20%. Daarvoor moeten partijen met elkaar op zoek naar consensus. Als je bij de projecten betrokken bent, merk je dat dat best lastig kan zijn. Toch is het van grote waarde om in de standaarden vast te leggen waar je het in ieder geval met elkaar over eens bent. Af en toe is polderen echt nodig. Na het opstellen van de huidige eerste versies worden ze onder andere op die moeilijke punten, maar ook in reactie op voortschrijdende kennis en inzichten, verder ontwikkeld als onderdeel van een kwaliteitscyclus. We leggen nu de basis.”

Patiënt centraal

Patiënten en naasten hebben een belangrijke rol bij de ontwikkeling. “Uiteindelijk draait het natuurlijk allemaal om de patiënt, standaarden vormen ‘slechts’ een middel om te komen tot goede zorg zoals die voor hem of haar van toepassing is. Van alle standaarden komen patiëntversies beschikbaar op thuisarts.nl. Patiënten krijgen zo inzicht in de zorg die zij kunnen en mogen verwachten. Aan de hand daarvan kunnen zij het gesprek voeren met hun zorgverlener.”

Aansluiting kwaliteitsstatuut

“Grote instellingen hebben hun zorgpaden ingericht in lijn met de multidisciplinaire richtlijnen die er zijn voor de ggz. In het kwaliteitsstatuut, dat voor elke zorgaanbieder in de ggz verplicht is per 1 januari 2017, staat aangegeven wat zij in de ggz geregeld hebben op het gebied van kwaliteit en verantwoording. Er staat ook dat professionals moeten werken volgens de kwaliteitsstandaarden die nu dus worden ontwikkeld.”

Aanvaardbare kosten

Met de zorgstandaarden wordt zogezegd gewerkt aan goede zorg tegen aanvaardbare kosten. Aanvaardbaar wil zeggen dat men niet meer maar ook niet minder doet dan nodig is. “Het veld legt in de zorgstandaarden vast hoe de zorg eruit moet zien, en daar hangt een prijskaartje aan. Dit zijn dus in de ogen van het veld de aanvaardbare kosten. Wij zijn gewend dat het altijd gaat over de kosten in de ggz en vooral hoe hoog die zijn. Maar het zou moeten gaan om het rendement. Daarvoor moeten we de schotten tussen de verschillende domeinen wegnemen, of daar in elk geval overheen kijken om ook de baten van een goede ggz in beeld te krijgen. Want tegenover de kosten die gemaakt worden in de ggz, staan de (maatschappelijke) opbrengsten in heel andere domeinen. Denk aan een hogere arbeidsproductiviteit, meer veiligheid, minder criminaliteit en verslaving. Die positieve uitwerking is misschien lastig te meten, maar uit onderzoek blijkt dat mensen die psychisch gezonder en gelukkiger zijn op andere terreinen veel meer opleveren.”

Aandacht in onderwijs

“Het is goed om te zien dat er veel wordt ondernomen om psychologen bewust te maken van de kwaliteitsstandaarden. Het is van belang om ook in de curricula van opleidingen psychologie hier aandacht aan te besteden, als belangrijke bron van informatie over hoe je mensen behandelt. Want niet alleen de huidige professionals, maar ook studenten moeten hiervan op de hoogte zijn als professionals van de toekomst. Op zijn minst vind ik dat elke student klinische psychologie straks moet weten dat er kwaliteitsstandaarden zijn en waar hij of zij deze kan vinden. Ook in de BIG-opleidingen en in de opleidingen van de specialistische psychotherapieverenigingen moeten de kwaliteitsstandaarden een plaats krijgen. Studenten zijn zich er nauwelijks van bewust, evenmin trouwens van de multidisciplinaire richtlijnen. Hetzelfde geldt overigens voor de meeste van mijn universitaire collega’s, die niet of nauwelijks op de hoogte zijn van deze ontwikkeling. Straks komen onze studenten op hun stageplek bij een instelling waar ze voor het eerst te horen krijgen dat er wordt gewerkt volgens kwaliteitsstandaarden. Dat kunnen we maar beter voor zijn.”

De kwaliteitsstandaarden worden digitaal ontsloten via een online database die momenteel in ontwikkeling is. Tot die tijd vindt u de opgeleverde standaarden op deze website.

Dr. Arnold van Emmerik is gepromoveerd onderzoeker en docent aan de Universiteit van Amsterdam, programmagroep Klinische Psychologie. Sinds 2015 is hij voorzitter van het bestuur van de Vereniging voor Gedragstherapie en Cognitieve Therapie (VGCt) en lid van het bestuur van P3NL – Federatie van psychologen, psychotherapeuten en pedagogen. Namens het NIP neemt Van Emmerik sinds de oprichting in 2013 deel in de Agendaraad van het Netwerk Kwaliteitsontwikkeling GGz, tevens is hij lid van de stuurgroepen van de Generieke module Psychotherapie en de Zorgstandaard Trauma- en stressorgerelateerde stoornissen.

Zorgstandaarden, generieke modules en richtlijnen

Onder de kwaliteitsstandaarden die worden ontwikkeld vallen zorgstandaarden, generieke modules en richtlijnen. Er bestaat soms verwarring over het verschil tussen zorgstandaarden en richtlijnen: een zorgstandaard omvat het complete zorgcontinuüm (de ‘patient journey’) voor een bepaalde psychische aandoening. Daarbij wordt ook expliciet de organisatie van het zorgproces beschreven. Dit alles vanuit het perspectief van de patiënt. De opstellers van een zorgstandaard baseren zich daarbij op bestaande richtlijnen en zij verwijzen tevens naar relevante richtlijnen in de zorgstandaard. Bij onderdelen waarvoor geen richtlijn beschikbaar is maken zij hun eigen keuze.

Waar een zorgstandaard één specifieke psychische aandoening behandelt, worden in een generieke module zorgcomponenten of -onderwerpen beschreven die relevant zijn voor meerdere psychische aandoeningen. Denk aan onderwerpen als zelfmanagement, ondersteuning naasten, dagbesteding en arbeidsparticipatie. De zorg die wordt beschreven in een generieke module kan, afhankelijk van de aandoening, in één of meerdere fases van het zorgproces van toepassing zijn.

 

Dit interview verscheen ook op de website van het NIP en van de VGCt.


Deel dit bericht via: